Al sinds het uitbreken van de verwoestende Soedanese burgeroorlog in april 2023 probeerde ik af te reizen naar de hoofdstad Khartoem. Dat was erg lastig: de autoriteiten (geleid door het Soedanese regeringsleger, een van de strijdende partijen) dulden lang geen pottenkijkers. Na jaren aandringen lukte het eindelijk om samen met fotograaf Sven Torfinn van Enckevort en NOS-correspondent Elles van Gelder naar de kapotgeschoten hoofdstad Khartoem te reizen. Daar zagen we hoe de oorlog nog altijd slachtoffers maakt: in het Al Nao-ziekenhuis komen steeds meer gewonden binnen die op mijnen stapten of per ongeluk een explosief opraapten. De zeventienjarige Malick is een van hen: hij pakte een stuk metaal van de grond dat in zijn hand explodeerde.
Khartoem
We bezochten Khartoem niet lang nadat het regeringsleger de paramilitaire soldaten van de Rapid Support Forces uit de hoofdstad had verdreven. Ze zeiden dat de stad ‘bevrijd’ was, en riepen burgers op weer terug te keren om de stad samen op te bouwen. Toch werd de stad vlak voor ons bezoek nog bestookt met drone-raketten van de RSF, en ligt de hele stad nog vol met kogels en onontplofte bommen en granaten. Terwijl we in Khartoem waren, viel de westelijke stad El Fasher in handen van de paramilitairen. Daardoor nam in Khartoem de angst toe: wat als de RSF-soldaten weer naar de hoofdstad trekken?
Tijdens ons verblijf kwamen we erachter dat de hoofdstad lang niet zo veilig was als het regeringsleger zei. Dat werd vooral pijnlijk duidelijk in Al-Nao, een van de grootste ziekenhuizen van Khartoem en omgeving. Daar lagen op de eerste hulp meerdere slachtoffers van mijnen en onontplofte explosieven. Terwijl we spraken met de hoofdarts, hoorden we hoe Malick, een jongen van zeventien, schreeuwde terwijl het verband om zijn pols werd vervangen; langzaam werd een gapende wond zichtbaar die op de plek van zijn hand zat. Malicks vader vertelde me dat de jongen met een vriend dadels had geraapt in een veld, tot ze een stuk metaal oppakten. Dat ontplofte toen in zijn hand.
Tijdens mijn werk als Afrika-correspondent vond ik het altijd belangrijk om dicht bij de mensen te komen die ik tijdens mijn reizen over het continent ontmoette. Wie zijn zij, wat drijft hen? Bij het vertellen van dat menselijke verhaal is fotografie onmisbaar. Zo ben ik erg fan van fotograaf Guy Peterson, met wie ik veel in West-Afrika heb gewerkt. In zijn foto’s kwam hij altijd erg dicht bij de mensen die we voor onze verhalen volgden, maar hij had ook altijd oog voor de omgeving waar zij in bewogen. Als een fly on the wall legde hij gebeurtenissen in zijn essentie vast. Dat is voor een fotojournalistiek beeld onmisbaar: je wil een bepaalde situatie toch zo rauw en direct mogelijk bij de lezer en kijker krijgen.
Toen ik als fotograaf en correspondent over het continent reisde, kreeg ik regelmatig de vraag: “Maar wat heb ik hieraan?”. Waarom zou iemand mij te woord staan, of toestemming geven om gefotografeerd te worden? Die logische vraag is vaak lastig om te beantwoorden, zeker als je op een plek bent waar het leven zwaar is door hongersnood of oorlog – de publicatie van mijn foto of verhaal verandert waarschijnlijk weinig aan het leven van de mensen die ik spreek of fotografeer. Voor de zeventienjarige Malick, die ik voor de Volkskrant fotografeerde, geldt dat helaas ook. Hij is zijn hand voor altijd kwijt, en daar verandert mijn beeld van hem niets aan.
‘Vergeten oorlog’
Toch hoop ik dat mijn foto’s en verhalen over de verwoestende oorlog in Soedan wel bijdragen aan een mogelijke oplossing. Want wat als mensen niets lezen of horen over deze ‘vergeten’ oorlog? Wie doneert dan geld aan de onmisbare gaarkeukens die mensen met het uitdelen van eten in leven houden, aan de artsen die levens van jongens als Malick redden? En waar blijft dan de aandacht van de politici in Den Haag en elders ter wereld, die tot nu toe bijna geen oog hebben voor de strijd en nog steeds zaken doen met de landen die deze oorlog draaiende houden?
Prijzen als de Zilveren Camera zijn van groot belang voor de journalistiek. Wanneer er beelden van bijvoorbeeld de oorlogen in Oekraïne en Soedan genomineerd worden, draagt dat hopelijk bij aan een breder begrip voor de ellende die de oorlog veroorzaakt – in het geval van Soedan is alle aandacht van harte welkom. Want hoewel deze oorlog vaak ‘een vergeten oorlog’ wordt genoemd, wordt de strijd door veel mensen ook gewoon genegeerd. Als een foto uit Soedan dan een breed podium krijgt door een Zilveren Camera-prijs, zorgt dat er in elk geval voor dat niemand kan zeggen dat zij de oorlog in Soedan zijn vergeten.
Ik hoop dat ik mensen ertoe aanzet om weer eens na te denken over de verwoestende oorlog in Soedan. Dat ze de ellende die de jarenlange strijd daar veroorzaakt niet vergeten, en dat ze de reportages en verhalen zullen lezen die journalisten als ik de afgelopen jaren over de oorlog vastlegden.
Mijn naam is Joost Bastmeijer, en tot voor kort werkte ik vanuit het Senegalese Dakar als Afrika-correspondent voor de Volkskrant. Sinds 2018 werk ik ook als fotojournalist, voor Nederlandse en internationale media. Op dit moment woon ik in Parijs.